Home » Studie van magie

Studies over het fenomeen magie

 

Ter inleiding

Het geloof dat iemand bovennatuurlijke krachten kan manipuleren door gebed, offeren of aanroepingen, dateert vanuit prehistorische religies en is ook aanwezig in de vroegste geschreven cultuurbronnen zoals Egyptische piramideteksten en Indische veda's. Van deze laatste zijn de Atharvaveda magisch te noemen en de Vedische Brahmins zijn vergelijkbaar met die van andere oude priestervoorschriften.

Magie was in oorsprong de kunst van de magi, de priesterlijke kaste van de Meden die zich bekwaamden in astrologie en andere esoterische wetenschappen. In de loop der tijden kreeg het woord een ruimere betekenis, en duidde het op geloof en praktijken die niet passen in de riten van de georganiseerde religies. Mettertijd werd magie verbonden met geloof in 'bovennatuurlijke krachten' die nochtans in de natuur zelf besloten lagen en daaruit konden worden opgewekt. Sommige auteurs, zoals de antropoloog James George Frazer, spreken over magie als een protowetenschap terwijl anderen, zoals de Franse etnoloog Marcel Mauss, het zien als een religieus fenomeen. Hierbij is elke rite 'magisch' die geen deel uitmaakt van een georganiseerde cultus. Kenmerkend voor magische rituelen is volgens Mauss ook het mysterieuze aspect ervan, wat blijkt uit het belang dat gehecht wordt aan geheimhouding en de initiatierituelen voor nieuwe adepten. Het belangrijkste verschil tussen religie en magie is dat de magie werkt met krachten die immanent zijn in de natuur, terwijl de religie de transcendentie van het heilige aanneemt.

James George Frazer oordeelde dat magie een bedrieglijk systeem was en dat magische observaties niet meer waren dan verkeerde interpretaties, veroorzaakt door een verwarring van eigen ideeën en de externe wereld. Anderen, zoals N. W. Thomas en Sigmund Freud, verwierpen deze verklaring. Frazers visie op magie is gebaseerd op zijn theorie van de 'Sympathische Wet". Daarbij wordt ervan uitgegaan dat dingen elkaar van op een afstand kunnen beïnvloeden doordat

1) er een zekere gelijkaardigheid is tussen hen (homeopathische of mimetische magie) of

2) ze ooit met elkaar in contact zijn geweest (contactmagie) of

3) ze deel uitmaken van elkaar. Een van de best gekende 'toepassingen' van de mimetische magie is het 'prikken' van een afbeelding van een vijand om die schade toe te brengen. (zie verder volgend hoofdstukje)

Freud vond dat de essentie van magie eerder lag in het vervangen van de natuurlijke wetten door eigen psychologische wetten. De drijvende kracht die iemand beroep deed doen op magie was volgens hem de kracht van de wensen, de wil.

De antropoloog R. R. Marett beschouwt religie en magie als twee vormen van een sociaal fenomeen dat oorspronkelijk een het hetzelfde was. De primitieve mens, zo stelt hij, had een instelling die zich bezighield met het bovennatuurlijke, en die instelling lag aan de oorsprong van zowel magie als religie, die slechts geleidelijk van elkaar onderscheiden werden.

Edward Burnett Tylor

Tylor beschreef magie in 'Primitive Culture' uit 1871 als een uitdrukking van animisme, de laagste trap in de evolutie naar monotheïstische religie (magie->polytheïsme->monotheïsme). Tylor was ook degene die de term 'pseudo-science' introduceerde om magie te beschrijven. Magie als slechte wetenschap dus, die in haar causale verklaringen telkens de bal misslaat. In zijn paternalistische en eurocentrische visie zag hij primitieve culturen als kinderen die dienden te worden opgevoed en onderwezen. Alleen op die manier zouden ze een hoger niveau van denken kunnen bereiken.

James Frazer

Geïnspireerd door Tylors werk, introduceerde Frazer het evolutionaire model aan het grote publiek. In 'het dertiendelige The Golden Bough' (1890-1915) beschreef hij de intellectuele ontwikkeling in drie fasen: van magie naar religie naar wetenschap, en maakte ook een duidelijker onderscheid tussen deze drie dan Tylor had gedaan. Zijn nog steeds invloedrijke wetten van de magie maken onderscheid tussen sympathische magie en contactmagie:

Sympathische magie, ook homeopathische of mimetische magie genoemd ('Law of similarity') , is een type magie dat uitgaat van het principe dat het gelijke het gelijke voortbrengt. Het is een vorm van associatief denken waarbij alles verbonden is in een staat van sympathie of antipathie.

Magische technieken draaien bij sympathische vormen van magie typisch om het nabootsen van gebeurtenissen en handelingen. 

Een voorbeeld van sympathische magie is het prikken van een pop die een vijand voorstelt. Schade toegebracht aan de pop werd verondersteld om de vijand te schaden.

Contactmagie (Engels: "Contagious magic") verwijst naar een vorm van magisch denken waarbij geloofd wordt dat er een magische band bestaat tussen twee objecten of personen die met elkaar in contact zijn geweest.

Dingen die eens met elkaar geassocieerd waren kunnen elkaar volgens deze magische wet nadat ze van elkaar gescheiden zijn wederzijds beïnvloeden. Zo zal wat een object wordt aangedaan (bijvoorbeeld een kledingstuk of een haar) ook invloed uitoefenen op de eigenaar van het object.

Émile Durkheim

De eerste belangrijke criticus van dit neerbuigende evolutionaire model was de Franse socioloog Émile Durkheim in zijn Les Formes élémentaires de la vie religieuse uit 1912. Hij zag religie vooral als sociaal bindend door gemeenschappelijke waarden, terwijl magie geen kerken kende en toegespitst was op het leveren van diensten. Magie en religie deelden met andere woorden gemeenschappelijke geloven (in goden en geesten), rituelen en dogma's, maar hadden een verschillende sociale functie.

Antropologie vanaf de 20e eeuw

Antropologen nemen in de 20e eeuw gaandeweg afstand van het racistische evolutionaire model van hun voorgangers. De 'grote theorieën' over magie en religie werden ter discussie gesteld doordat moderne antropologen zelf veldonderzoek gingen doen om de conclusies van Tylor en Frazer te onderzoeken. Het werd niet langer als vanzelfsprekend aanvaard dat magie een aspect van een primitieve cultuur was, of gewoon een restant van een opvatting die vijandig stond tegenover religie en wetenschap.

De Frans-Duitse folklorist Arnold van Gennep bestudeerde de relatie magie-religie door de overgangsrituelen bij verschillende volken en culturen te onderzoeken. In 'Les rites de passage' uit 1909 stelde hij dat magie en religie naast elkaar voorkomen, met vergelijkbare symbolische betekenissen en doelen.

De in Polen geboren Britse antropoloog Bronisław Malinowski was een van die veldwerkers die kennis uit eerste hand wilde verwerven. Hij lag aan de basis van een school van sociale antropologie (de functional school) die cultuuruitingen zoals magie interpreteerde vanuit een bepaalde functie en sociaal doel die zij in de maatschappij vervulden. Evans-Pritchard en andere moderne antropologen werden sterk geïnspireerd door het voorbeeld van Malinowski.

Evans-Pritchard

Het moderne, onbevooroordeelde academische onderzoek van magie werd verder gezet met E.E. Evans-Pritchards invloedrijke antropologische studie van de Azande, voor het eerst gepubliceerd in 1937. Zijn boek Witchcraft, Oracles, and Magic Among the Azande was in zijn tijd baanbrekend vanwege zijn relatief neutrale, niet-oordelende houding ten aanzien van de geldigheid van de overtuigingen van de Zande, een stam in het noorden van Centraal-Afrika. Evans-Pritchard legde de nadruk op magie, hekserij en tovenarij als verklaringen voor ongeluk, die pas naar voren werden gebracht wanneer geen andere verklaring mogelijk was.

Jeanne Favret-Saada

De Franse etnologe Jeanne Favret-Saada was een van de eersten die aandacht had voor de nog levende traditie van magie in het moderne Europa. Zij ging eind jaren 1960 in Normandië wonen en bestudeerde daar de angst voor hekserij en het exorcisme van de plaatselijke bevolking . Andere Franse studenten sociologie en antropologie zouden haar voorbeeld volgen. De Duitse folklorist Inge Schöck wist te onthullen dat  ook in Zuidwest-Duitsland magie nog lang niet dood en begraven was. 

Onttovering van de wereld

Een volledige 'onttovering van de wereld' (term van Max Weber) lijkt een illusie te zijn, omdat magie haar plaats blijft behouden in een geseculariseerde moderne westerse wereld. Hedendaagse critici van Weber wijzen er zelfs op dat er sprake is van een "her-tovering" van de wereld, omdat veel mensen ontgoocheld zijn in de harde moderniteit. Het verklaart ook waarschijnlijk het succes van de  neoheidense natuurreligie wicca die inspeelt op de zucht naar eenvoudiger en natuurlijker leven.